Toepassing twee of zes procent overdrachtsbelasting volgens heldere norm

Printvriendelijke versie

Telkens opnieuw doemt de vraag op of een woning moet worden overgedragen tegen een overdrachtsbelasting van 2 of 6 procent. Er gloort inmiddels licht, de advocaat-generaal van de Hoge Raad heeft in diverse cassatieprocedures zijn conclusie geschreven. Daaruit blijkt dat bij toepassing van het verlaagde overdrachtsbelastingtarief van belang is of het pand ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’.

Niet van belang is op welke manier het pand direct voorafgaand aan de overdracht feitelijk in gebruik was. Het gaat juist om de bouwkundige bedoelingen. Die komen tot uitdrukking in het oorspronkelijk ontwerp, de oorspronkelijke bouw, een eventuele latere grote verbouwing, de indeling, de voorzieningen en de geschiktheid voor bewoning. Als dat allemaal objectief op een woonfunctie wijst, dan is er geen discussie mogelijk: 2 procent overdrachtsbelasting.
Als het pand echter niet als woning is gebouwd, maar bijvoorbeeld als watertoren, kleuterschool, garage of molen, dan is het pand naar zijn aard niet bestemd voor bewoning, ook al wordt er feitelijk structureel in gewoond. Alleen als het pand na een ingrijpende, vrijwel onomkeerbare verbouwing bouwkundig volledig verschilt van de oorspronkelijke functie, en daarna verkocht wordt, geldt ook het 2 procent tarief.

De advocaat-generaal gaat op nog meer situaties in, zoals een pand met verschillende bestemmingen. Wilt u meer weten over de normen voor toepassing van het hoge of lage tarief van overdrachtsbelasting? Bel ons voor het maken van een afspraak.

Bron: Notamail 2016/309 dd 12/12/16.