Openbare verkoop door de bank niet altijd toegestaan

Printvriendelijke versie

Aankoop van een eigen woning gaat meestal gepaard met het afsluiten van een hypothecaire lening bij een bank. Daarbij verkrijgt de bank het recht tot openbare verkoop van de woning over te gaan, als de nieuwe huiseigenaar niet voldoet aan zijn verplichting tot betaling van rente en aflossing. In de praktijk kan het echter voorkomen dat de huiseigenaar ook schulden heeft bij een andere schuldeiser, die hij niet kan voldoen. Die schuldeiser kan dan in bepaalde gevallen beslag leggen op de woning.

Het maken van extra schulden kan de betaling van rente en aflossing aan de bank in gevaar brengen. Volgens de voorwaarden in de hypotheek heeft de bank dan het recht om een terugbetaling ineens te vragen. De hele hypothecaire lening moet dan in een keer aan de bank worden voldaan. Om de geldlening aan de bank terug te kunnen betalen zal in de meeste gevallen de woning onderhands moeten worden verkocht. Maar als er beslag op de woning is gelegd, is onderhandse verkoop van de woning niet mogelijk. Kan de bank dan overgaan tot openbare verkoop, ook in geval de huiseigenaar zijn rente- en aflossingsverplichtingen ten opzichte van de bank wel altijd is nagekomen?

Bij het niet nakomen van de ‘terugbetaling ineens’ van de geldlening heeft de bank in principe het recht om de woning in het openbaar te verkopen. Daarbij moet de bank wel rekening houden met de belangen van de huiseigenaar. Als deze geen betalingsachterstand bij de bank heeft en bij openbare verkoop van de woning de verkoopopbrengst mogelijk onvoldoende zal zijn om ook de vordering van de beslaglegger te voldoen, maakt de bank misbruik van zijn recht om de woning te verkopen. Dit geldt te meer als de beslaglegger sinds de beslaglegging op de woning geen actie heeft ondernomen om zelfstandig tot openbare verkoop over te gaan of de bank niet heeft verzocht de verkoop over te nemen.

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Maak dan een afspraak met ons kantoor. Wij maken graag tijd voor u vrij.

Bron: Rechtbank Noord-Holland, 14 maart 2014, RBNHO:2014:3333