Openbare verkoop zonder zekerheid hoogte vordering

Printvriendelijke versie

Om te kunnen beschikken over werkkapitaal kan een ondernemer bij de bank aankloppen. Als de bank bereid is een bedrijfskrediet te verstrekken zal daartegenover door de ondernemer zekerheid moeten worden geboden. Dat gebeurt meestal in de vorm van het vestigen van een hypotheekrecht ten behoeve van de bank op het bedrijfspand.

Hierdoor verkrijgt de bank het recht om het bedrijfspand in het openbaar te verkopen als de ondernemer niet (meer) aan zijn verplichtingen uit het hypothecair krediet kan voldoen. Op het moment dat de bank overgaat tot openbare verkoop kan het zijn, dat de hoogte van het opgenomen krediet niet exact bekend is. De rekening-courant bij de bank vertoont immers dagelijks een ander saldo als gevolg van zowel opnames als bijstortingen door de ondernemer. Mag de bank dan toch overgaan tot openbare verkoop als de vordering van de bank niet tot op de cent nauwkeurig vaststaat?

Dat vroeg een ondernemer zich af die, nadat aan hem door de bank een hypothecair krediet was verstrekt, na enkele jaren failliet ging. Door het intreden van het faillissement besloot de bank het bedrijfspand waarop de hypotheek rustte in het openbaar te verkopen. De ondernemer vorderde bij de kortgedingrechter een verbod op openbare verkoop omdat de hoogte van de vordering niet bekend was.

De kortgedingrechter stelde de ondernemer in het gelijk, maar in hoger beroep oordeelde het gerechtshof anders. Volgens het gerechtshof is het niet vereist dat bij een voorgenomen openbare verkoop het exacte bedrag van de vordering bekend is. Op grond van het hypotheekrecht is de bank bevoegd door openbare verkoop van het pand haar vordering te innen.

Voor de notaris die zorg draagt voor de openbare verkoop is hier een belangrijke rol weg gelegd. De notaris zal na openbare verkoop van de netto-verkoopopbrengst aan de bank uitkeren wat volgens een schriftelijke verklaring van de bank aan haar toekomt. Als de notaris ernstige redenen heeft te twijfelen aan de juistheid van het door de bank opgeëiste bedrag, dan zal hij de uitkering opschorten. De notaris zal dan aan de Voorzieningenrechter verzoeken om het door de bank te vorderen bedrag goed te keuren, waarna alsnog uitkering zal plaatsvinden. Dit verzoek aan de Voorzieningenrechter kan ook door de schuldenaar worden gedaan.

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Maak dan gerust een afspraak met ons kantoor voor een deskundige uitleg.

Bron: Gerechtshof Den Bosch, 29 oktober 2013, NJF 2014/47