Hypotheekrente niet aftrekbaar

Printvriendelijke versie

Scheiden van tafel en bed komt tegenwoordig niet veel meer voor. Eén van de redenen om voor deze vorm van scheiden te kiezen is de mogelijkheid van een verzoening. Bent u in gemeenschap van goederen getrouwd dan wordt dit bij scheiding van tafel en bed omgezet naar huwelijkse voorwaarden. Dat betekent dat het gemeenschappelijk vermogen wordt verdeeld, zodat ieder van de echtgenoten een eigen vermogen, eigen inkomen en eigen schulden heeft.

Fiscaal gezien kan dit in bepaalde gevallen onvoordelig uitpakken. U bent namelijk geen fiscale partners meer en dit kan gevolgen hebben voor de hypotheekrenteaftrek.
Dat bleek in een zaak voor de Hoge Raad in januari 2014. Na in 1986 te zijn gescheiden van tafel en bed, kocht de man in 1990 een woning voor zijn vrouw. Voor de financiering van de aankoop was door de man een hypothecaire lening gesloten. De vrouw betaalde echter de hypotheekrente via een nog gemeenschappelijk aangehouden bankrekening en bracht deze in aftrek op haar inkomstenbelastingaangifte.

De inspecteur van belastingen ging hier niet mee akkoord, omdat volgens hem geen sprake was van een eigen woning.
Zowel het gerechtshof als de Hoge Raad stelde de inspecteur in het gelijk. Doordat de man – na scheiding van tafel en bed en dus na verdeling van het gemeenschappelijk vermogen – een woning had gekocht voor zijn vrouw, kon de woning niet worden aan gemerkt als een eigen woning van de vrouw. Zij was immers niet (mede)gerechtigd in de eigendom van de woning. Aftrek van hypotheekrente is alleen toegestaan als de belastingplichtige eigenaar is en de woning zijn of haar hoofdverblijf is. De vrouw was geen eigenaar van de woning en kon ook niet worden aangemerkt als fiscale partner, nu zij nog steeds van tafel en bed gescheiden waren.

Als er sprake zou zijn geweest van een verzoening, was aftrek weer mogelijk geweest, omdat bij verzoening de scheiding van tafel en bed eindigt.

Wilt u meer weten over de fiscale gevolgen bij scheiding? Maak dan een afspraak met ons kantoor. Wij zijn u graag van dienst.

Bron: Hoge Raad, 10 januari 2014, V-N 2014/9.11