Moet koper ruilverkavelingslasten uitdrukkelijk aanvaarden?

Printvriendelijke versie

Bij het sluiten van een koopovereenkomst betreffende een onroerende zaak, is de verkoper verplicht de koper op de hoogte te stellen van de bijzondere lasten en beperkingen die op de onroerende zaak drukken. Die lasten en beperkingen kunnen onder meer erfdienstbaarheden en kettingbedingen zijn, maar ook de verplichting om ruilverkavelingsrente te betalen.

In gebieden waar een versnippering heeft plaatsgevonden van percelen cultuurgrond kan de overheid in overleg met de eigenaren besluiten om tot herverkaveling over te gaan. Het streven daarbij is om grotere aaneengesloten kavels te vormen, zodat een meer economische bedrijfsvoering ontstaat. Een deel van de daarmee gepaard gaande kosten wordt aan de eigenaren in rekening gebracht door het innen van ruilverkavelingsrente gedurende een periode van ongeveer 30 jaar. Het is dus voor de koper van belang om bekend te zijn met de inning van ruilverkavelingsrente, aangezien dit een last is die jaren op de onroerende zaak blijft rusten.

In een zaak voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in november 2014, vordert de koper dat de aanslag ruilverkavelingslasten door de verkoper moet worden voldaan, omdat deze last door de koper niet uitdrukkelijk is aanvaard.

Het gerechtshof komt tot het oordeel dat de vordering van de koper moet worden afgewezen. De vraag of de koper de last van de ruilverkavelingsrente uitdrukkelijk heeft aanvaard, kan volgens het gerechtshof bevestigend worden beantwoord. Hoewel de koper niet met zoveel woorden in de koopakte heeft verklaard deze last te aanvaarden, was het voor de koper wel duidelijk dat met betrekking tot de gekochte cultuurgrond ruilverkavelingsrente was te verwachten. Bij de omschrijving van de grond in de koopakte was uitdrukkelijk vermeld dat van deze percelen ruilverkavelingsrente was te verwachten.
Door akkoord te gaan met deze passage in de koopakte, was de koper daarmee bekend en wordt hij geacht deze last ook te hebben aanvaard.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8889